Prinsjesdag

Gepubliceerd op Dinsdag 29 september 2015
Er was eens een bijzonder prinsesje. Dit prinsesje was bijzonder omdat haar ouders de koning en de koningin waren en haar grootouders de scepter zwaaiden voor hen. Generatie op generatie werden de zoontjes prinsjes en de dochtertjes prinsesjes. Dat was nu eenmaal zo. Op een dag was het Prinsjesdag. Op Prinsjesdag gingen alle gewone onderdanen van het land gehuld in oranje kleren zich verzamelen om een glimp op te vangen van één van de mensen van het Koningshuis en misschien zagen ze dan ook wel de prachtige Gouden Koets. Elke dag op Prinsjesdag vertelde de heerser een verhaal voor de burgers. Dat was een verhaal over de toekomst van het land, maar hoe erg de Koning en zijn gevolg ook hun best deden elke keer werd het verhaal al stiekem vertelt in de gangen van het Paleis en doorverteld aan de gewone mensen. Maar de mensen vonden dat helemaal niet erg, want ze wilden het verhaal toch graag horen. Bovendien hadden alle prinsesjes van de familie, en andere adelijke families die op bezoek kwamen zoals baronnen en gravinnen, die dag een hoedje op. En wat voor hoedje? Dat wist niemand en dat vonden de onderdanen allemaal reuze spannend. Al voor de zon opkwam stonden er velen burgers in de rij om de hoedjes te zien. Maar het prinsesje vond het maar een stomme traditie. Ze wilde helemaal geen prinsesje zijn. Ze wilde gewoon zijn, zonder dat stomme gouden kroontje ... Er was eens een gewoon meisje. Dit meisje was gewoon een meisje omdat haar ouders gewoon waren. Er brak oorlog uit in het land waar dit meisje wilde opgroeien. Dit meisje wilde graag buiten spelen met haar vriendinnetjes en naar school gaan om te leren. Maar volgens papa ging dat hier niet. Dat was nu eenmaal zo. Dus op een dag pakten ze de spullen die ze hadden en vertrokken. Het meisje kroop tegen haar moeder aan op plekken waar ze even konden uitrusten. Dan vertelde haar moeder een verhaal over een land waar er een Koning woonden. De Koning reed in een Gouden Koets en alle mensen vonden hem lief en hij vond alle mensen lief. De mensen hielden van de kleur oranje. Oranje is de kleur van de harmonie zei haar mama en gaf haar een gehaakt oranje mutsje. Want het kon wel erg koud worden in het land waar ze graag heen wilden. Het was een hele verre reis, maar eindelijk kwamen ze in het land van de Gouden Koets aan op een hele bijzondere dag; Prinsjesdag. Het meisje was zo blij dat haar wangen pijn deden van het lachen. Toen zag ze een klein, mooi prinsesje in een hoekje. Ze leek verdrietig ook al zaten er allemaal mensen om haar heen. Het meisje liep er heen en zwaaide naar haar. Het prinsesje stond op en zwaaide terug. Ze keek even om zich heen en glipte snel weg van haar stoeltje naar het gewone meisje toe. Het prinsesje aaide over de mooie zwarte haren van het meisje. Toen pakte ze haar kroontje en hield het voor haar. Het meisje deed haar mutsje af en gaf het aan het prinsesje. Ze deed het op en de oranje wol leek zich te vermengen met haar blonde krullen. Het prinsesje zette het kroontje bij het meisje op. Het goud danste op haar diepzwarte haar. Ze pakte elkaars handen en dansten rondjes op het gras. Uiteindelijk dansten ze tot het nacht werd en samen vielen ze neer. Ze keken naar de dezelfde sterren en naar dezelfde maan. En eindelijk voelde het prinsesje zich gewoon en het meisje zich bijzonder. Zoals ieder klein meisje zich zo moeten voelen: gewoon bijzonder. Niet meer en niet minder!