De mythe van de libelle
Voor Wild Wisdom gingen we naar Ilze voor een ervaringsverhaal. Terwijl we daar zaten, viel mijn oog op haar spijkerjasje. Zo’n jasje waar van alles op zit: emblemen, afbeeldingen, kleine details. Eén daarvan was een libelle.
Voor een ander misschien gewoon een insect, maar voor mij en mijn dochter Sira is de libelle al jaren ‘ons’ symbool. Meteen moest ik terugdenken aan de tijd dat ze nog klein was en ik bij haar op de rand van het bed zat om haar het verhaal van de libelle te vertellen. Waar ik het ooit gehoord of gelezen heb? Geen idee meer. Het is zo’n verhaal dat iniedergeval is blijven hangen.
Het begint met een groepje larven dat diep op de bodem van een vijver leeft. Ze kruipen tussen de modder en het riet, in een wereld die grijs en dof is. Soms vangen ze een glimp op van boven: een fonkeling van de zon op het water, of de zachte kringen van een regendruppel. Ze weten dat er ‘iets’ is, maar niemand van hen weet wat. In de kolonie was er één kleine larve die rusteloos was.
“Ik wil weten wat daarboven is,” zei hij tegen de rest. De anderen schudden hun kopjes. “Nee, niet doen,” waarschuwden ze. “Iedereen die naar het licht klimt, verdwijnt. Niemand keert ooit terug.” Maar de drang was te groot. Hij beloofde plechtig: “Als ik boven ben en ontdek wat daar is, kom ik terug om het jullie te vertellen.”
Op een dag was het zover. Hij klom dapper via een rietstengel omhoog, dwars door de zware waterspiegel heen. En daar, in de warme middagzon, gebeurde het wonder. Zijn kleine, grijze pantser barstte open. Er kwamen vier glinsterende vleugels tevoorschijn en een lijfje dat alle kleuren van de regenboog weerspiegelde. Hij was een libelle geworden! Hij vloog over de bloemen, voelde de wind en zag de wereld in een licht dat hij zich beneden nooit had kunnen voorstellen.
Hij herinnerde zich zijn belofte. Hij wilde naar beneden, zijn vrienden vertellen dat ze niet bang hoefden te zijn, dat de wereld daarboven prachtig was. Maar telkens als hij op het water probeerde te landen, schoten de larven beneden uit angst weg. Ze zagen alleen een vreemde schaduw op het water. Hij kon niet meer terug in zijn oude jasje. Hij kon niet meer ademen onder water. De waterspiegel was een grens geworden die hij alleen nog van bovenaf kon aanraken. En dus kon hij niets anders doen dan hopen dat zijn vriendjes ook dapper genoeg zouden worden om het te proberen. Daarom zie je ook vaak twee libelle bij elkaar, ze zijn zo blij dat ze elkaar gevonden hebben.
Ik herinner me nog goed dat ik het verhaal aan Sira vertelde. Ze was even stil, haar grote ogen op mij gericht. “Mama,” vroeg ze zachtjes, “is dat net als de hemel?” Die vraag raakt me nog steeds. Het herinnert me eraan dat we in ons leven vaak in dat grijze jasje van de larve zitten. We houden vast aan wat we kennen, uit angst voor het onbekende. We zijn bang om naar het licht te klimmen, omdat we denken dat we dan alles verliezen. Maar de libelle leert ons dat transformatie niet het einde is, maar een nieuw begin in een andere dimensie.
De libelle op het jasje van Ilze voelde als een een duidelijke hint van boven als herinnering aan dit verhaal. Misschien wel van mijn vader. Een bevestiging van hem dat we op de goede weg zijn. Soms moet je door die zware waterspiegel heen breken om te ontdekken wie je werkelijk bent. En hoewel we elkaar soms even niet kunnen bereiken door die grens tussen boven en beneden, zijn we nog steeds verbonden.
